Voor wie er niet was of het gewoon nog eens wil nalezen hieronder de preek van ds. Wim Stougie gehouden in de voor de vele bezoekers fantastische dienst met een indrukwekkende viering van de Maaltijd van onze Heer.
Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,
Onbekommerd leven.
Martin Parmentier zat te vertellen.
Gepokt en gemazzeld is hij in de charismatische beweging.
Als geen ander is hij thuis in de gebeden om genezing.
Daar geeft hij les over.
Als hoogleraar.
En nu was hij zelf geraakt door Parkinson.
Openhartig vertelde hij erover
op de televisie.
Een man
ingrijpend ziek
ingrijpend beperkt.
Een man
die zich uitstrekte naar genezing.
En het gesprek kwam erop
wat nu het paradijs eigenlijk was.
Een tijd waar het allemaal klopte.
Parmentier noemde het zomerhuisje van zijn grootouders
op de Loosdrechtse plassen
van lang geleden
van voor zijn tiende verjaardag.
Daar had hij als kind onbekommerd geleefd,
gespeeld,
geloofd.
Inmiddels was dat huisje weg
was zijn jeugd weg.
Er stond nu een patserige kolos
onbetaalbaar
ja
en moet je nu concluderen dat
zijn onbekommerde leven ook weg was?
Geen weg terug
naar dat onbevangen leven
zonder butsen?
Zie daar het beeld dat ons vanavond bezig houdt.
Als je jeugd voorbij is
dan is het over
en het komt nooit terug.
Zelfs al schop je het tot hoogleraar
en weet je alles van kerk en theologie
van bidden en genezen.
Uitgeleverd zijn wij aan de onbarmhartige werkelijkheid
van het volwassen zijn.
Los van onze oude wortels,
Los van onze vroegere verbanden,
Niet meer gedragen door die binnenste cirkel van familie,
Op zoek naar onze eigen overtuiging,
en we beleven onze identiteit,
ook onze seksuele,
nu eens onbevangen,
dan weer zo afgewezen.
Nu eens zo gedragen
door de lieve mensen om ons heen
Dan weer zo misverstaan
door wie ons zo na zijn.
Nee, dat onbekommerde leven
waar Jezus het over heeft.
Vergeet het maar.
Van de week dan weer de christenunie:
het mag wel,
je mag wel homosexueel zijn,
alsof ze ook nog iets anders konden vinden,
maar we moeten er dan nog wel eens over praten
wat dat betekent als je in het front van onze partij komt te staan
dan brengen we de bijbel nog maar eens in stelling.
Prima joh, als we er maar geen last van hebben.
En sommigen van jullie hebben me gemaild.
Hoe zo’n standpunt je weer bij de strot kan grijpen.
Hoe je het uit het evenwicht kan slaan.
Willem Nijholt vertelde dat een paar week geleden in de NCRV gids.
Als christenen beginnen,
dan vliegt het ons naar de keel .....
En ik heb bij het standpunt van de christenunie
heel sterk de ambivalentie gevoeld,
die in mijn eigen huis zo speelt:
onze landelijke kerk zegt:
natuurlijk staan we ervoor open voor homoseksuele mensen,
maar u moet lokaal maar even zelf uitzoeken
of het ook echt zo is.
En dat staat lokaal
dan ook nog te bezien.
En dan hoeven we het niet over de Veluwe of de bible belt te hebben
dan kunnen we gewoon dicht bij huis blijven:
Burgum.
Op ons dorp ligt in deze kerkgemeenschap de verhouding
acceptatie - niet-acceptatie
70 - 30,
misschien 80 - 20 .
En wat me daar nog het meest aan begroot, is
dat het gesprek niet op gang komt.
Dat ik, dat wij het in de aanloop naar deze dienst
niet gered hebben om een klimaat neer te zetten
waarin wij onbekommerd konden delen:
delen van onze vragen
delen van onze weerstand
delen van ons verlangen.
Dat we als kerk leven
met een zwijgende minderheid.
Want wrang is het wel dat
de integratie nog niet zo is bereikt
dat dit soorten zondagen nodig zijn.
En in kleine kring deelden we onze ervaringen daarover:
hebben wij voor jongeren op ons dorp voldoende
de weg gebaand om uit de kast te komen?
En we benoemden de verhalen van jongeren
uit ons midden die zo weinig ruimte proefden om hen heen
en in groot verdriet terecht kwamen met de mensen om hen heen.
Hebben wij voldoende oog voor mensen
die aan ons
aan christenen pijn hebben opgelopen?
En we konden het antwoord wel bedenken.
En nu de bordjes zo wat klaar hangen
gunnen we ons zelf een moment van inkeer
en luisteren naar een lied
dat Keimpe met Siebe in ons midden neerlegt.
(hier klonk het lied dat boven bij de 2 e schikking wordt genoemd)
Het heeft iets wrangs om Mattheus 6 te lezen.
De onbezorgdheid waar Jezus reclame voor maakt,
wordt ondersteund door beelden uit de natuur.
Maar wie goed naar de vogels kijkt,
ziet wel dat ook zij hun maatregelen nemen
om voedsel te vinden,
een nestje te bouwen
en om te overwinteren.
Nee, zo makkelijk als Jezus het schetst zal het niet gaan.
Wij leven immers nog niet in het hemels luilekkerland.
En de gebraden duiven vliegen nog niet vanzelf onze mond in.
Nog maar eens lezen dan:
"Daarom zeg Ik u: maak je geen zorgen".
"daarom" dat is een scharnierpunt.
Het is een verklikker, een alarmlichtje.
Eigenlijk zijn we niet aan het begin van een nieuw verhaal,
maar staan we er juist midden in.
Lucas, die deze verhalen ook vertelt,
speelt er op dezelfde manier mee.
Hij vertelt het verhaal van de rijke dwaas,
van de man die een schuur bouwt
om nog maar meer te verzamelen
maar die zelfde nacht sterft
en bij Lucas horen wij:
"daarom zeg Ik u: wees niet bezorgd".
Bouw geen schuren.
Waar komt dat dan dat
"daarom zeg Ik jullie"
bij Mattheus vandaan?
Het antwoord vindt u even eerder:
niemand kan twee heren dienen.
Kies maar:
het is God of de Mammon.
Zet je in op je bezit
of zet je in op God?
En de vraag daarachter is de vraag naar ons houvast.
Waar ligt jouw steun?
Waar ligt jouw houvast?
Hoeveel heren wil jij dienen?
En ook hoeveel tegelijk kun je aan?
Je lichaam geeft een grens aan:
tot hier en niet verder.
En dat is denk ik ook het barmhartige aan Jezus' woorden:
stop nou toch eens,
met je rot rennen.
Stop nou toch eens,
met je kaarten op alles te zetten
en overal voor te vliegen.
Dat hielden slaven in Jezus' dagen al niet vol:
zij konden letterlijk geen twee heren dienen.
En wij,
in onze steeds drukker en intensiever wordende wereld,
wij nog minder.
Daarom horen wij:
stel prioriteiten:
zet God en geloof op nummer een
en dan past de puzzel van zelf in elkaar.
Een heilige onbezorgdheid leren wij van Jezus.
Hij zegt ons:
zoek eerst het Koninkrijk
en dit alles zal u bovendien geschonken worden.
Ga voor de keuze van je leven
en de rest zal zondermeer goed zijn.
En het vraagt geloofsmoed om daar amen op te zeggen.
Om daar mee in stemmen:
je kunt je hemelse vader vertrouwen.
Gras en bloemen en vogels zijn al veilig in Zijn hand.
Hoeveel te meer jij,
hoeveel te meer ik,
hoeveel te meer wij allen.
Het valt ons niet licht om groot te denken van onszelf.
Wij kunnen het haast niet,
bedenken dat wij het zijn,
die kostbaar zijn in Gods ogen.
Groot van jezelf denken door de ogen van God.
Ik ben een koninklijk kind, door de Vader bemind.
Dat geloof schept ruimte.
Ruimte voor vertrouwen.
Ruimte om het met God te wagen.
Dat geloof poetst de vragen niet weg;
maar plaatst ze in de ruimte van God,
die ons draagt.
De diepste grond onder dit gedeelte is de angst:
de angst om alleen te blijven.
De angst om met lege handen te zullen staan.
De angst om bedrogen uit te komen.
De angst om te laat zijn voor het geluk,
voor het leven en de vreugde.
Daarom tasten wij hoog op in onze schuren.
Daarom scheppen wij ons bord te vol.
Daarom moeten wij het onderste uit de kan van het leven halen.
Daarom hamsteren wij en stouwen onze schuren tot het dak toe vol.
Totdat Jezus' woord ons bevrijdt van onze overspannenheid.
Genoeg!
Jezus' woorden klinken in een tijd
waarin de mensen baden
"Geef ons vandaag weer brood voor vandaag".
Een tijd waarin de mensen in dit opzicht
alle reden hadden om zich zorgen te maken.
Er was veel werkloosheid,
er was vaak geen dagloon
en dan was er dus vaak geen eten.
En in die tijd spreekt Jezus over:
waar ligt je vastigheid?
Wat is je mammon?
En in dat woord mammon
klinkt heel wat mee:
daar klinkt "amen" in mee:
het zal vast en zeker zijn.
Zo zal het zijn.
Wat is je vaste vertrouwen,
je zekerheid,
je bezit?
Eigenlijk weet je nooit zeker,
wanneer je 'amen' kunt zeggen,
daarom ga je maar door met amen-iseren,
met mammon-iseren.
En daar tegenin belijden wij:
Gij zijt het enigst dat mijn hart bezit!
Van al mijn schatten bleef mij niets dan dit:
Gij zijt de helper die mij niet verlaat.
Leven bij de dag.
De dag in zijn volle glorie
en ook in zijn onheil
de ruimte geven.
Daar ben je geroepen.
Dan klinkt het
godsonmogelijk om
bij onheil nog te spreken
van onbekommerd leven.
Mattheus 6 hoeft ook niet tot elke prijs.
Maar ik versta het verhaal wel
als een mogelijkheid tot
gekoesterd, geborgen leven.
Niet aan jezelf over gelaten zijn.
Onbekommerd leven.
Parmentier van het begin
heeft laten bidden om genezing
in het verlangen nog een poos
dienst te mogen doen.
Hij wilde zich het leven weer laten in sturen,
niet blijven hangen in zijn jeugd.
De woorden uit Mattheus waren bijna 15 jaar geleden
de trouwtekst voor Martina en mij.
En ik heb me deze week afgevraagd
wat ik, wat wij er mee hebben gedaan.
Ik weet dat ik niet meer zo onbekommerd
zo onbevangen ben.
Ik heb te heftig,
te uitbrekend verdriet gezien
om ongecompliceerd te geloven
dat de bomen tot in de hemel groeien.
Ik kan die woorden amper meer onbevangen geloven
omdat ik indringend gezien heb
hoe een kerk mensenwerk is
en hoe ik mensenwerk lever in dit werk
en dat nu eenmaal niet alles kan
waar je op hoopt.
Dat het gewone al meer is
dan soms mogelijk is.
En toch, er onbekommerd voor gaan,
voor je eerste liefde,
het geloof van je jeugd,
de God van je jeugd,
God die te vertrouwen is.
Dat wens ik jullie en mezelf zo toe.
Dat je aan elkaar
in deze wereld beleeft
dat God liefde is
en mensen voor liefde bedoelt.
Dat je je elk onbekommerd in dienst waagt.
Amen.